Logo
Home Contact
Wordt lid

Meldt u dan nu aan!
Al vanaf € 10,= per jaar steunt u het werk van Oud Enkhuizen.

Oud Enkhuizen signaleert...

1 2

Brief aan B&W over Burgwal, november 2007
Geacht college, Dames en Heren

Op 21 juni 2007 zonden we u een brief over de problematiek die zich in onze ogen dreigde voor te doen op de locatie hoek Burgwal/Omgelegde Burgwal. Uw antwoord hield globaal in dat weliswaar het vigerende bestemmingsplan verouderd was, maar dat zoveel deskundigen bij de beoordeling van het project waren betrokken, dat de hele operatie toch verantwoord moest zijn.

Inmiddels heeft zich spontaan nog een groep "deskundigen" aangemeld, de inwoners in wier directe omgeving de activiteiten zullen plaatsvinden. Zij vertegenwoordigen de mensen die zich gevoelsmatig keren tegen de zware ingreep in het gebied. De mensen die aanvoelen dat het karakter van de "groene hoek" blijvend wordt aangetast.

Hun argumenten worden nauwelijks weerlegd, maar als tegenargument wordt voornamelijk aangevoerd dat er behoefte bestaat aan starterwoningen en dat daarom zoveel mogelijk inbreilocaties moeten worden benut.
Ongetwijfeld is dat argument in een aantal gevallen redelijk. Maar als inbreilocaties gecreëerd worden door beeldbepalende panden te slopen kan men zich afvragen of dit nog wel onder het begrip inbreien valt. Dat daarbij de starters op de woningmarkt gebruikt worden als een soort morele rechtvaardiging van dit beleid maakt ons inziens de discussie onzuiver.

In de brief van 21 juni 2007 gaven we onze ongerustheid weer over de verouderde bestemmingsplannen. B&W vond deze ongerustheid niet terecht. Helaas moeten wij constateren dat onder dit verouderde bestemmingsplan een goothoogte van 7 meter toegestaan is. De projectontwikkelaar en de architect hebben hier natuurlijk gebruik van gemaakt door twee forse bouwblokken te ontwerpen.

Dat wij ongelukkig zijn met de sloop van Bloemlust zal duidelijk zijn. Dat we ons ongerust maken met de ruimte die de bestemmingsplannen de projectontwikkelaar geeft willen we nogmaals door deze brief kenbaar maken.

Brief aan B&W over bierreclame, september 2007
Geacht college,

Aan de Drommedaris is sinds kort een lichtbak gemonteerd. En niet zomaar een lichtbak.
Het is een aandacht trekkende, uit de toon vallende bierreclame aan een van de belangrijkste monumenten van onze stad.

Als zo'n reclame-uiting daar hangt, moet men ervan uitgaan dat de benodigde vergunning is verstrekt en dat de eigenaar van het pand, in dit geval de gemeente Enkhuizen, zijn fiat heeft gegeven.
Voor zover wij weten wordt zo'n vergunning pas uitgegeven als verschillende, aan het monumentenbeleid gerelateerde instanties er een positief advies over hebben uitgebracht.

Naar wij uit directe waarneming hebben ervaren, is van zo'n vergunningsuitgifte tot nu toe geen enkele sprake en spreken eigenaar en de tot nu toe geraadpleegde instanties zich uiterst negatief uit over deze nieuwste beeldvervuiling.

Voor ons en voor de vele leden van onze vereniging en ander stadsgenoten die ons over deze aantasting benaderen, is het onbegrijpelijk dat de huidige gebruiker van het monument de bierproducent de gelegenheid heeft gegeven dit reclame-element te monteren.

Wij vragen u dan ook maatregelen te nemen om zo snel mogelijk de gebruiker te verplichten om de oorspronkelijke toestand weer terug te brengen. Aan de "visitekaart" van de stad mag niet geknoeid worden.

Brief aan B&W over het Paludanushuis, augustus 2007
Geacht college,

Bij de verkoop van panden veranderen vaak de functies. Soms gaat het om bedrijfsgebouwen, soms om woonhuizen en soms zelfs om monumenten.
In een koopcentrum vindt nogal eens de omzetting plaats van een woonhuis in een winkelpand. Dat is begrijpelijk voor een gemeente waarin een duidelijk gedefinieerd winkelgebied aanwezig is.
Betreurenswaardig is de situatie als een gemeentelijk of rijksmonument zo'n mutatie ondergaat. De kans is het grootst bij de wisseling van eigenaren. Het risico van een onomkeerbare wijziging is dan aanwezig en daarmee vrijwel zeker het einde van een monument. We hoeven alleen maar te wijzen op het Buyskeshuis.

Zo'n situatie dreigt op het ogenblik voor Westerstraat 65, het Paludanushuis. De in zijn tijd wereldberoemde stadgenoot en stadsgeneesheer Bernardus Paludanus (1550-1633) moet daar volgens een belastingkohier uit 1630 gewoond hebben. Een aantal gevelversieringen is weliswaar na zijn dood aangebracht, maar de woning staat al vele jaren op de lijst van rijksmonumenten. De tuin van het pand mondt uit op de Torenstraat en heeft nog het oorspronkelijke karakter. De meeste van die tuinen zijn inmiddels gevuld met magazijnen en garages.

De Vereniging Oud Enkhuizen hecht veel waarde aan het beeld van dit bijna enige woonhuis in deze omgeving. De reclamevrije voorgevel is nu een rustpunt in de drukke gevelwand.
Het is echter niet denkbeeldig dat bij een eigendomswijziging een van de bekende winkelketens zich erin zal willen vestigen. Daardoor zal het beeld waarschijnlijk gedomineerd gaan worden door de bij zo'n keten behorende krijgskleuren. In elk geval zullen er bij welke winkelfunctie dan ook in het interieur ingrepen moeten plaatsvinden waarbij monumentale onderdelen worden opgeofferd.
Oud Enkhuizen is een nadrukkelijk tegenstander van deze ontwikkeling. Op die manier zou er weer een element onttrokken worden aan de verzameling monumenten waar Enkhuizen zijn faam aan ontleent.

Wij mogen u er nog op wijzen dat op 6 oktober a.s. in Enkhuizen een landelijk congres wordt georganiseerd door de Vereniging van Nederlandse Kerkhistorie, waarbij aan de figuur van Paludanus een prominente rol is toebedeeld.

Wij vragen u om bij u besluitvorming met de bovengeschetste problematiek rekening te houden.

Reactie van de gemeente op brief Paludanushuis, 21 augustus 2007
Geacht bestuur,

Van u hebben wij een brief ontvangen waarin u aandacht vraagt voor de historische en monumentale betekenis van het woonhuis Westerstraat 65, het zg. Paludanushuis. Graag berichten wij het volgende.

Het is op basis van het geldende bestemmingsplan al bij recht toegestaan om in dit woonhuis een winkel te vestigen. Voor een eventuele omzetting naar een winkel kunnen wij dus geen toetsing uitvoeren aan de door u geschetste waarden van dit woonhuis in het kernwinkelgebied. Wel zal een toetsing plaatsvinden wanneer een monumentenvergunning voor een wijziging van dit pand noodzakelijk blijkt te zijn. Op het achterterrein ligt nu de bestemming "Tuinen", bebouwing is op grond daarvan niet mogelijk. Wanneer bij ons een formeel verzoek wordt neergelegd om dit terrein te bebouwen, bijvoorbeeld met een gebouw gericht op de Torenstraat, dan zullen wij de door u geschetste situatie omtrent dit perceel in het geding betrekken.

Wij danken u voor de versterkte informatie en hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.

Brief aan B&W en gemeenteraad over bestemmingsplannen, juni 2007
Geachte dames en heren,

Bestemmingsplannen zijn aan slijtage onderhevig. Inzichten over de ruimtelijke ordening en opvattingen over de architectonische invulling van een gebied veranderen regelmatig. Wat ooit aanvaardbaar was, wordt na verloop van tijd soms tenminste ongewenst verklaard. Toch vormt een vigerend bestemmingplan het kader waarbinnen verzoeken tot bouwkundige operaties worden afgewezen of toegestaan.
Gebruikers van de ruimte, die nieuwe plannen ontwikkelen, tasten regelmatig de grenzen af waarbinnen ze wettelijk mogen opereren. In sommige gevallen blijken dan de grenspalen op plaatsen te staan waar de huidige beleidsmakers ze niet meer zouden zetten.

Zo'n situatie doet zich naar onze mening nu in Enkhuizen voor. Op de overgang tussen Burgwal en Omgelegde Burgwal staat een huis dat de landelijke sfeer van het gebied op een plezierige manier versterkt. Bij dat huis bevindt zich een perceel tuingrond. Op het oppervlak van huis en grond is ruimte voor nieuwbouw. En onvermijdelijk is het dan dat er een plan komt voor meerlagige bouwblokken.
Eigenlijk zou in de buurt van de beschermde vestingwal met meer dan gewone aandacht naar zo'n plan gekeken moeten worden. Er verdwijnt een vriendelijk pand en het wordt vervangen door volumineuze nieuwbouw. Waarschijnlijk staan de bomen in dat gebied daardoor binnenkort ook in de weg. De vraag of dit kan, wordt bepaald door een bestemmingsplan uit 1977!

Een vergelijkbaar probleem deed zich kortgeleden voor in de Zuiderkerkstraat. Daar bleek dat het betreffende bestemmingsplan een goothoogte toestond die de tegenwoordige burger met verbazing vervult.

De Vereniging Oud Enkhuizen realiseert zich dat het wijzigen of aanpassen van een bestaand bestemmingplan een arbeidsintensieve en daarmee kostbare aangelegenheid is. Toch wil zij van harte pleiten voor maatregelen die vergelijkbare, door velen ongewenste gevolgen kunnen voorkomen.

Reactie van de gemeente op brief bestemmingsplannen, 4 juli 2007
Geachte bestuur,

Van u mochten wij een brief ontvangen waarin u een lans breekt voor een spoedige actualisatie van de sterk verouderde bestemmingsplannen voor de historische binnenstad van Enkhuizen. Aanleiding daarvoor is het voorstel van een initiatiefnemer om op de Burgwal 30 een bouwplan te realiseren met betaalbare koopwoningen in een laag prijssegment, voor de huisvesting van kleine huishoudens, zoals voor jongeren of doorstarters (mensen die gezien de hoogte van hun inkomen geen relatief dure koopwoning in de binnenstad kunnen betalen). U keert zich blijkens de brief uit ruimtelijke overwegingen tegen dit voorstel, omdat het in uw ogen om volumineuze nieuwbouw gaat en omdat er niet met meer dan gewone aandacht naar gekeken is. In de buurt van de beschermde vestingwal zou eigenlijk met meer dan gewone aandacht naar zo'n plan gekeken moeten worden, zo geeft u aan. Graag berichten wij u als volgt.

De bestemmingsplannen voor de binnenstad zijn inderdaad al heel oud en veel ouder dan de voorgeschreven herzieningsperiode van 10 jaar. Herziening van die plannen is alleen al om die reden nodig. Het bijzondere is echter dat de bestemmingsplannen in een groot deel van de gevallen nog helemaal niet verouderd zijn. De bestemmingsplanvoorschriften zijn ten aanzien van bebouwing en gebruik zodanig geformuleerd, dat de honderden bouwaanvragen voor de binnenstad goed getoetst kunnen worden. Naar de karakteristiek van de verschillende stadsdelen zijn goothoogtes, bouwdieptes en dakhellingen vastgelegd. Een groot deel van de middeleeuwse stad kent bovendien een strikte regeling met vastgelegde kapvormen (kappenkaarten) en gevelaanzichten (gevelschema's). Ook de bijgebouwenregeling staat slechts 36 m2 aan bijgebouwen toe. Er zijn mogelijkheden voor binnenplanse vrijstelling, die een beperkte mate van flexibiliteit mogelijk maken.

Maar in een ander opzicht zijn de bestemmingsplannen weldegelijk verouderd. Sinds de vaststelling van de bestemmingsplannen in de jaren '70 en '80 is de maatschappij sterk veranderd; de woonwensen zijn veranderd, er zijn nieuwe bouwkundige normen en er worden andere, hogere eisen gesteld aan bijvoorbeeld milieu, werk en recreatie in de stad. Met grote regelmaat passen de veranderde eisen en wensen niet meer op de toegestane bebouwing of gebruik in de stad. Door strenge voorschriften zijn veel bouwaanvragen in strijd met het bestemmingsplan. In een aantal van die gevallen ontstaat er een spanning tussen het belang van - bijvoorbeeld - woonwensen van een consument enerzijds en het belang van de handhaving van de historisch gegroeide ruimtelijke karakteristiek van een bepaald gebied anderzijds. Dat is een spanning waar ons college niet lichtvaardig mee omgaat.

Juist de strijdigheid met het bestemmingsplan maakt dat wij per bouwaanvraag beoordelen of een vrijstelling van het bestemmingsplan mogelijk is of niet. Alle relevante belangen en aspecten worden dan per individuele bouwaanvraag nauwgezet in ogenschouw genomen. In al die gevallen gaat een bouwaanvraag langs een werkgroep, waarin onder meer een stedenbouwkundige nagaat welke ruimtelijke verschijningsvorm in relatie tot de omgeving aanvaardbaar is of niet. Ook voeren wij ongeveer om de 6 a 7 weken een overleg met de Rijksdienst Archeologie, Cultuurlandschap en Monumenten, in bijzijn van onze stedenbouwkundige. Via een intensief proces van onderzoek, modellenstudie, beeldanalyse et cetera, komt voor een beoogde herontwikkeling langzaam een ruimtelijk kader (een ruimtelijke verschijningsvorm) tot stand.

Toch is het beter wanneer er actuele, op de tegenwoordige visies toegesneden ruimtelijke bestemmingsplannen beschikbaar zijn. Om die reden heeft de gemeenteraad ruim een ton gereserveerd voor herziening van de bestemmingsplannen voor de binnenstad. Ons college heeft een stedenbouwkundig bureau in de arm genomen en een intensief proces op poten gezet, waarmee de bestemmingsplannen kunnen worden herzien. Onder meer zullen wij vanaf september aanstaande een kadernota opstellen, waarin de belangrijkste ruimtelijke uitgangspunten voor de binnenstad ter discussie komen. Alle betrokken organisaties, deskundigen en belangstellenden worden eind dit jaar uitgenodigd om aan de totstandkoming van deze kadernota mee te werken. Uiteraard zullen wij ook uw vereniging daarvoor uitnodigen. Toch verbaasd het ons enigszins dat uw bestuur kennelijk niet op de hoogte is van het voornemen tot herziening van de bestemmingsplannen, met name omdat dat onderwerp meermalen in openbare vergaderingen van raadscommissies en gemeenteraad aan de orde is geweest.

Voor wat betreft de beoogde herontwikkeling van de locatie Burgwal 30 merken wij het volgende op. De situatie die u schetst, namelijk dat een oud maar vigerend bestemmingsplan bebouwing toestaat die we nu niet meer zouden wensen, doet zich daar niet voor. In tegendeel zelfs: het bestemmingsplan staat de beoogde bebouwing niet toe, waardoor een intensieve belangenafweging in het kader van een vrijsteilingsprocedure nodig is. De vraag of de beoogde herontwikkeling op de Burgwal 30 kan, wordt dus niet bepaald door het bestemmingsplan dat ongeveer 30 jaar geleden is vastgesteld, maar door actuele inzichten in ruimtelijke ordening, stedenbouw en volkshuisvesting.

In de genoemde belangenafweging hebben bij de totstandkoming van de Nota van uitgangspunten voor deze locatie, de waarden van de ruimtelijk-stedenbouwkundige structuur voorop gestaan. De voorbereiding is gepaard gegaan met een analyse van het ruimtelijk beeld van de omgeving, een modellenstudie en intensief overleg met de architect en de Rijksdienst. Wij zijn dan ook onaangenaam getroffen door het standpunt van uw bestuur dat in de buurt van de vestingwal "eigenlijk met meer dan gewone aandacht naar zo'n plan gekeken moet worden". Natuurlijk bestaan er verschillende ideeën en meningen over welke bebouwing wel en niet aanvaardbaar is in het beschermd stadsgezicht en daarover gaan wij graag het gesprek aan. Maar het treft ons temeer, omdat uw bestuur op geen enkele wijze inhoudelijk reageert op onze stedenbouwkundige analyse in de Nota van uitgangspunten en het ruimtelijk kader terzijde schuift met slechts de woorden "volumineuze nieuwbouw". Dit hadden wij, eerlijk gezegd, niet op deze wijze verwacht.

Ook verwijst uw bestuur naar de bouwplannen aan de oostzijde van de Zuiderkerkstraat. De goothoogte die het bestemmingsplan daar toestaat is 6 meter en met een binnenplanse vrijstelling maximaal 6,6 meter. Een dergelijke goothoogte past uitstekend in het stedelijke weefsel van dat gedeelte van de binnenstad. Wij wijzen u in dit verband bijvoorbeeld op de nadere typering van de te beschermen waarden, zoals opgenomen in het aanwijzingsbesluit voor het beschermde stadsgezicht (RDMZ, februari 1982). Op die locatie zal bebouwing met een dergelijke goothoogte de tegenwoordige burger niet met verbazing vervullen, maar (ook) wij hebben uiteraard de waarheid niet in pacht.

Al het bovenstaande daargelaten, wil ons college uw bestuur voorstellen en uitnodigen om na de zomerperiode om met ons om de tafel te gaan zitten en samen van gedachten te wisselen over de ruimtelijke ontwikkelingen in de stad en het publieke proces waarbinnen dat vormgegeven moet worden. Het initiatief daarvoor zullen wij na de vakantieperiode nemen. Zowel de gemeenteraad als ons college hechten er waarde aan dat ruimtelijke ontwikkelingen in een vroeger stadium dan thans vaak het geval is, besproken worden met belangstellenden, belangenorganisaties, externe deskundigen en andere betrokkenen. Wij zijn om die reden druk doende met een voorstel voor nieuwe en betere vormen van inspraak en 'meedenken'. In dat kader kan uw vereniging desgewenst mogelijk ook een actieve rol gaan spelen.

Wij zouden het op prijs stellen dat, wanneer u uw brief op uw website publiceert, u tevens onze voorliggende reactie daarbij wilt plaatsen.

Wij hopen u hiermee voor dit moment voldoende te hebben geïnformeerd en wensen u een goede zomerperiode toe.